5. Opzettelijk onjuist doen van aangiften vpb; geen fiscaal pleitbaar standpunt

X (bv) is door de strafkamer van Hof Den Haag wegens 'opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd', veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 500.000.
Het Hof heeft geoordeeld dat ten laste van X is bewezenverklaard dat hij in de ingediende aangiften vennootschapsbelasting 2004 en 2005 opzettelijk aanzienlijke te verrekenen verliezen heeft aangegeven, terwijl deze verliezen niet meer verrekenbaar waren omdat het uiteindelijk belang als bedoeld in artikel 20a Wet VpB 1969 in belangrijke mate (30% of meer) was gewijzigd, terwijl die feiten ertoe hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven.
Het Hof heeft de stelling van X dat er sprake is van een pleitbaar standpunt verworpen en dit oordeel wordt in cassatie door de Hoge Raad bevestigd.
In het oordeel van het Hof dat het in de gegeven omstandigheden bijkans evident was dat medio 2004 sprake was van een belangrijke wijziging van het uiteindelijke belang in de verdachte rechtspersoon, ligt als zijn oordeel besloten dat de verdachte rechtspersoon ten tijde van het doen van de aangiften - naar objectieve maatstaven gemeten - niet redelijkerwijs kon en mocht menen dat diens uitleg van het bepaalde in artikel 20a, lid 1 (oud) Wet VpB 1969 en daarmee de door hem gedane aangiften juist waren. Dat oordeel geeft, gelet op HR 21 april 2017, 15/05278, ECLI:NL:HR:2017:638, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat geen sprake is van een fiscaal pleitbaar standpunt. Het cassatieberoep van X wordt verworpen.
(Hoge Raad, nr. 16/03111)