6. BPM-berekening kampeerauto

X (belanghebbende) heeft op 16 oktober 2014 in Duitsland een gebruikte kampeerwagen gekocht voor € 47.600 inclusief (Duitse) btw.
 Op 28 oktober 2014 heeft X een aangifte BPM gedaan naar een te betalen bedrag aan BPM van € 5.429. 

De Inspecteur heeft vervolgens aan X een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 3.703. De daaraan ten grondslag liggende afschrijving is door de Inspecteur bepaald door middel van de forfaitaire afschrijvingstabel.

Bij Rechtbank Noord-Nederland is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

X heeft - kort gezegd - aangevoerd dat artikel 110 VWEU wordt geschonden, omdat de belasting voor binnenlandse kampeerauto’s kan worden berekend op basis van de gesloten bestelauto waarop de kampeerauto is gebouwd, abstraherend van de recreatieve functie, terwijl voor te importeren kampeerauto’s wel rekening moet worden gehouden met de recreatieve functie. De handelsinkoopwaarde moet daarom worden vastgesteld op € 26.046, overeenkomstig de koerslijst voor een gesloten bestelauto, en het afschrijvingspercentage berekent X op 46%.

De Inspecteur heeft aangevoerd dat geen gebruik kan worden gemaakt van een koerslijst op basis van de gesloten bestelauto. De afschrijving moet worden bepaald aan de hand van de waardedaling van de kampeerauto inclusief het recreatieve gedeelte.

De Rechtbank verklaart het beroep van X ongegrond. De afschrijving van kampeerauto’s verloopt naar het oordeel van de Rechtbank niet gelijk aan de afschrijving van bestelauto's.
 Ook het Kaderbesluit BPM (4 maart 2014, BLKB 2014/127M) biedt geen grondslag om voor de bepaling van de rest-BPM van een kampeerauto uit te gaan van de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde van een bestelauto.
Voorts oordeelt de Rechtbank dat de Inspecteur het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging niet heeft geschonden. 
(Rechtbank Noord-Nederland, nr. 15/4432)