3. Duidelijkheid over indeling in premiesectoren

X (bv; belanghebbende) is sinds 1 januari 2016 aannemer op het gebied van tuinen, bestrating, grondwerk en riolering. Enig aandeelhouder en bestuurder is A (Holding bv). Enig aandeelhouder en enig bestuurder van A is dga B. Tot 1 januari 2016 werd de onderneming door een vof gedreven. De vof was voor de premieheffing werknemersverzekeringen ingedeeld in sector 1 (Agrarisch bedrijf). X heeft de onderneming en het personeel van de vof overgenomen. De aard van de werkzaamheden is niet gewijzigd.
De Inspecteur heeft X niettemin in premiesector 3 (Bouwbedrijf) ingedeeld.
Hof Den Haag heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 96, lid 2 Wfsv slechts relevant zijn de werkzaamheden waarvoor X in 2016 loon uit dienstbetrekking heeft betaald en waarover zij als werkgever premie werknemersverzekeringen verschuldigd is. Het Hof heeft X in sector 1 ingedeeld, omdat de werkzaamheden waarvoor zij in 2016 loon heeft betaald waarover zij als werkgever premie werknemersverzekeringen verschuldigd is, hoofdzakelijk bestaan uit hovenierswerkzaamheden.
Tegen dit oordeel heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld maar de Hoge Raad verklaart dit ongegrond. Gelet op de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 96, lid 2, Wfsv moet worden geoordeeld dat, anders dan geldt bij de toepassing van artikel 96, lid 1, Wfsv, voor de aansluiting bij een sectorfonds uitsluitend bepalend zijn de werkzaamheden waarvoor de werkgever zelf het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.