2. Klant van boekhouder krijgt taakstraf van 100 uren

Verdachte X is dga en bestuurder van 2 bv’s die samen een fiscale eenheid vormen. X wist dat de btw-aangifte(n) maandelijks moesten worden ingevuld en ingediend. Ook wist hij dat deze btw-aangiften niet juist waren ingevuld en ingediend, aangezien het administratiekantoor die aangiften niet kon baseren op tijdig door de verdachte verstrekte informatie. Dat een administratiekantoor zonder de benodigde stukken bij een wisselende omzet niet in staat is correcte aangifte(n) te doen spreekt voor zich. Bovendien heeft X ter terechtzitting in hoger beroep op de vraag of hij wist dat de maandelijkse bedragen in de btw-aangiften niet juist waren geantwoord: ‘Onder de streep is het juist dat ik wist dat de maandelijkse bedragen niet juist waren.’ Dat X de aan hem als bestuurder van de vennootschappen gerichte post met kopieën van de aangiften niet opende disculpeert hem (vanzelfsprekend) niet: niet ten opzichte van zijn boekhouder en zeker niet ten opzichte van de Belastingdienst. Uit deze handelwijze leidt de strafkamer van Hof Amsterdam af dat X vol opzet had op het indienen van onjuiste aangiften en tenminste voorwaardelijk opzet op het indienen van te lage aangiften.
Hij wordt daarom veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren (indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis), wegens het feitelijk leidinggeven aan het plegen van belastingfraude door twee vennootschappen.