3. Werkgever heeft zorgplicht bij wijziging pensioenregeling


Volgens het Hof Den Haag heeft een werkgever een zorg- en waarschuwingsplicht wanneer hij zijn pensioenregeling wijzigt. Dat er een adviseur betrokken is op de wijziging, doet daar niet aan af.

Wijziging van eindloonregeling naar beschikbare premieregeling
Accountantskantoor H heeft een pensioenregeling voor zijn werknemers. Met ingang van 1 januari 1999 wijzigt H de pensioenregeling van een eindloon- naar een beschikbare premieregeling. K, de adviseur en tussenpersoon van H, werd door H gevraagd om de werknemers te informeren over de wijziging en hun vragen hierover te beantwoorden. De werknemers gingen in de loop van het jaar 1999 akkoord met de Pensioenregeling 1999 per 1 januari 1999. Daarbij stemden de werknemers ook in met de overdracht van de pensioenaanspraken die zij hadden opgebouwd in de eindloonregeling naar de Pensioenregeling 1999. Hierdoor kregen zij voor hun gegarandeerde pensioenaanspraken een niet gegarandeerd pensioen terug. Daardoor liepen ze ook voor dit gedeelte het beleggingsrisico en het risico dat op pensioeningangsdatum onvoordeliger tarieven gelden.
Door de ontwikkeling op de financiële markten, vielen de resultaten van de beschikbare premieregeling fors tegen. De werknemers stelden H aansprakelijk voor de door hen geleden schade als gevolg van de overstap van de eindloonregeling naar de Pensioenregeling 1999.

Werkgever schendt zorgplicht
De werknemers eisen van H een vergoeding van de pensioenschade die het gevolg is van de waardeoverdracht van de opgebouwde pensioenaanspraken in de eindloonregeling naar de Pensioenregeling 1999. Zij stellen dat H als werkgever tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van goed werkgeverschap; dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door hen onjuist en onvolledig te informeren over de gevolgen van vervanging van de eindloonregeling door de Pensioenregeling 1999 (BPR). Ook zouden de werknemers niet goed zijn voorgelicht over de risico’s verbonden aan een beschikbare premieregeling en over de verschillen tussen beide regelingen. Een van de werknemers stelt dat zijn te verwachten ouderdomspensioen bij 65 jaar hierdoor 20 tot 47% lager is dan bij de eindloonregeling het geval zou zijn geweest.
Het Hof stelt de werknemers voor een deel in het gelijk. Volgens het Hof vormt de verwachte forse premiestijging een terechte aanleiding om de pensioenregeling voor de toekomst te wijzigen, terwijl dat voor het verleden niet speelt. Voor wat betreft de wijziging van de pensioenregeling voor de toekomst is het Hof van oordeel dat H zijn werknemers voldoende heeft geïnformeerd. Zeker gezien het feit dat desbetreffende werknemers ten tijde van de wijziging van de pensioenregeling ervaren assistent-accountants waren, die weliswaar geen specifieke pensioenkennis hadden, maar wel uit hoofde van hun functie te maken hadden gehad met pensioen gerelateerde kwesties, bijvoorbeeld de pensioenopbouw van een directeur-grootaandeelhouder. De schriftelijke informatie die de werknemers hadden ontvangen had gezien hun achtergrond, kennis en ervaring, voldoende duidelijk moeten zijn geweest.
Ten aanzien van de inbreng van de waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken onder de eindloonregeling is het hof van oordeel dat H zijn werknemers had moeten waarschuwen voor het nemen van een (te) groot risico. En nu hij dat niet heeft gedaan, schendt hij – op dit punt - zijn zorgplicht. Het Hof motiveert dit als volgt.
Door ook het reeds opgebouwde, gegarandeerde pensioen in de nieuwe regeling onder te brengen, zetten de werknemers hun volledige pensioen op het spel, niet alleen hun toekomstige pensioenopbouw. Het ging hier om opgebouwde, gegarandeerde pensioenaanspraken, die door de waardeoverdracht kwamen bloot te staan aan risico’s, zoals kans op tegenvallend rendement op de beleggingen, lang leven risico en het risico van daling van de rekenrente. Daarbij speelde ook een rol dat de adviseur die de werknemers moest informeren, de werknemers onvolledig voorbeeldberekeningen had gegeven. Deze berekeningen waren, zoals het Hof fijntjes opmerkte, door het ontbreken van verliesscenario’s weliswaar gekleurd, maar niet onjuist. Voor die onvolledigheid in de informatievoorziening naar de werknemers is H verantwoordelijk.

Commentaar
Het Hof Den Haag vond dat de werkgever zijn (overigens deskundig) personeel had moeten waarschuwen voor de risico’s die zij liepen door de waarde van de eindloonregeling (met gegarandeerde pensioenen) in te brengen in een beschikbare premieregeling. Door dat niet te doen schond hij zijn zorgplicht als goed werkgever.
De norm van goed werkgeverschap brengt mee dat werkgevers zorgvuldig moeten omgaan met de belangen van de werknemer bij ingrijpende veranderingen in hun arbeidsvoorwaarden, zoals een wijziging van diens pensioenregeling. De werkgever moet, voldoende informatie verstrekken aan de werknemer en alles doen wat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om te voorkomen dat de werknemer instem met een wijziging van de pensioenregeling onder invloed van een onjuiste voorstelling. Daarin is H in gebreke gebleven. H kan zich niet verschuilen achter het feit dat hij zijn adviseur, die hij daarvoor heeft ingeschakeld, in gebreke is gebleven. Het blijft de verantwoordelijkheid van H.
Wel wijst het Hof de pensioenadviseur op haar verantwoordelijkheid.
“Het hof stelt voorop dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam tussenpersoon/pensioenadviseur mag worden verwacht dat deze in een geval als dit, waarin hij in opdracht van en namens de werkgever de werknemers informeert over een eventuele overgang naar een andere pensioenregeling, de werknemers niet alleen voldoende en juiste informatie geeft, maar onder omstandigheden hen ook waarschuwt voor aan de overgang verbonden risico’s. Die waarschuwingsplicht, die mede strekt ter voorkoming van het aangaan van onverantwoorde risico’s als gevolg van onervarenheid, lichtzinnigheid of ondoordachtheid, kan onder omstandigheden ook gelden wanneer de werknemers op zichzelf over voldoende informatie (geacht mogen worden te) beschikken om de risico’s te kunnen (onder)kennen. Het hof is van oordeel dat K in de gegeven omstandigheden (...) had moeten waarschuwen voor de risico’s die verbonden waren aan de inbreng van de waarde van hun reeds opgebouwde, gegarandeerde pensioen onder de eindloonregeling in de beschikbare premieregeling; althans had K [H] moeten waarschuwen opdat [H] zelf haar werknemers op dit punt had kunnen waarschuwen."

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

2. Auto van de zaak van 15 jaar en ouder

Dga Wim de Vries rijdt in een Jaguar XJ, 4.2 van de zaak. Het kenteken voor deze auto is op 1 maart 2001 afgegeven. Hoe zit het met de bijtelling vanaf deze datum?
Het bijtellingspercentage bedraagt 35% van de waarde in het economisch verkeer op 1 maart 2016.
Het bijtellingspercentage bedraagt 35% van de waarde in het economisch verkeer op 1 maart 2001.

Vanaf het moment dat een auto 15 jaar of ouder is, vormt de waarde in het economische verkeer van de auto de grondslag voor de bijtelling privégebruik auto. Het bijtellingspercentage voor alle auto's van 15 jaar en ouder is 35% in plaats van 25%. Als de auto bijvoorbeeld op 1 mei 15 jaar oud is, neemt u voor de 1e 4 maanden als grondslag het totaalbedrag van de cataloguswaarde inclusief btw, de bpm en de accessoires. Daarna gaat u uit van de waarde in het economische verkeer. Voor de vaststelling van deze waarde kunnen veilingprijzen een indicatie geven. U kunt ook kijken naar de taxatiewaarde van de auto voor de verzekering of naar de actuele kilometer- en leaseprijzen. De waarde in het economische verkeer kan hoger zijn dan de oorspronkelijke nieuwprijs van de auto.

1. AB-winst of niet?

Dirk Jansen heeft in 2014 met een aanzienlijke winst een pakket aanmerkelijkbelangaandelen verkocht en geleverd aan een door hem beheerste vennootschap.
Eind 2015 heeft Dirk de aan de levering ten grondslag liggende koopovereenkomst door middel van een buitengerechtelijke verklaring vernietigd op grond van wederzijdse dwaling.
U heeft tegen de aanslag IB 2014 een bezwaarschrift ingediend en de inspecteur verzocht om de aanslag te verminderen met de over 2014 verschuldigde ab-belasting. Zal de inspecteur aan uw verzoek tegemoet komen?

Het antwoord luidt nee. Zie het arrest van de Hoge Raad van 21 november 2014, nr. 13/05105, ECLI:NL:HR:2014:3323. 

De vernietiging met terugwerkende kracht van een koopovereenkomst staat niet eraan in de weg dat met die overeenkomst een aanmerkelijk belangwinst is gerealiseerd. 
De vraag of, en zo ja in hoeverre, ter bepaling van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang gevolgen moeten worden verbonden aan de vernietiging van de koopovereenkomst is aan de orde bij de vaststelling van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang van het jaar waarin de vernietiging heeft plaatsgevonden.

  • 1
  • 2