3. Advocaatkosten en kosten outplacement toch belastingvrij te vergoeden?

Onder de werkkostenregeling (WKR) zijn vergoedingen voor kosten van rechtsbijstand die een werknemer maakt bij een ontslagprocedure niet meer afzonderlijk vrijgesteld. De vergoeding voor de kosten van outplacement wel. Echter dan moet die vergoeding wel kwalificeren als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
Deze vergoedingen moeten, om ze als eindheffingsbestanddeel aan te kunnen wijzen (en ze onbelast te laten lopen via de vrije ruimte), onder de werkkostenregeling eveneens aan te merken zijn als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Vaak maken deze vergoedingen echter deel uit van de ontslaguitkering/transitievergoeding. Een ontslaguitkering (of transitievergoeding) kwalificeert echter in de regel als loon uit vroegere dienstbetrekking. Daarmee zou het dus niet meer mogelijk zijn vergoedingen voor advocaatkosten en outplacement onbelast uit te keren.

De Belastingdienst heeft echter goedgekeurd dat het loon uit vroegere dienstbetrekking toch mag worden aangewezen als eindheffingsloon/via de vrije ruimte mag lopen. Voorwaarde is wel dat tegelijkertijd aan de werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt uitgekeerd. Dat is bijvoorbeeld het geval als de werknemer behalve de ontslagvergoeding tegelijkertijd een eindafrekening ontvangt voor vakantiedagen die hij nog tegoed had.

2. Gezamenlijke huishouding voor de AOW bij twee woonadressen?

Kun je een gezamenlijke huishouding hebben met iemand die is ingeschreven op een ander woonadres? Zelfs wanneer dat woonadres in Frankrijk is? Hierover oordeelde de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

SVB vordert AOW terug
Sinds 1 maart 2009 ontving mevrouw A een ouderdomspensioen voor een ongehuwde op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Zij woonde in een bungalowpark en stond op dat adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
Bij een onderzoek op het bungalowpark rees het vermoeden dat zij langdurig samenwoont op het adres van L in Frankrijk. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) stelde een onderzoek in naar de woon- en leefsituatie van A. Twee medewerkers van het Controle Team Buitenland legden op 20 maart 2012 een huisbezoek af op het adres van L in Frankrijk. A en L waren op dat moment aanwezig en vulden een formulier gezamenlijke huishouding in. De SVB vorderde vervolgens het verschil tussen de alleenstaanden en gehuwden AOW terug over de periode 1 maart 2009 tot en met 31 juli 2012 van A. A is het daarmee niet eens. Zij maakt bezwaar tegen de terugvordering. En als de SVB vasthoudt aan de terugvordering gaat A in beroep.

Rechtbank: gezamenlijk woonadres
De rechtbank oordeelt dat de SVB mocht uitgaan van de juistheid van de gegevens die A en L ingevuld hadden op het formulier. Daaruit blijkt onder meer dat A ongeveer acht maanden per jaar bij L in Frankrijk verblijft, zij eenmaal per jaar voor ongeveer zes weken samen naar Nederland gaan en A zelf eenmaal per jaar voor ongeveer drie weken naar Nederland gaat. Dit biedt volgens de rechtbank voldoende feitelijke grondslag om aan te nemen dat A en L hun gezamenlijke hoofdverblijf hebben in de woning in Frankrijk. Ook blijkt uit het formulier dat er sprake is van wederzijdse zorg. Zij doen gezamenlijk de boodschappen, eten samen en verzorgen elkaar bij ziekte.
De rechtbank besluit dat de SVB terecht heeft aangenomen dat A een gezamenlijke huishouding had met L. De SVB moest dan ook het ouderdomspensioen van A herzien en het ten onrechte verstrekte bedrag terugvorderen, aldus de rechtbank. A gaat in hoger beroep.

Centrale Raad van Beroep: gezamenlijke huishouding
A kan ook de CRvB niet overtuigen van haar gelijk.
Volgens de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.
Omdat A en L staan ingeschreven op verschillende adressen haalt de CRvB het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015 aan. Daaruit volgt dat het feit dat A en L in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen stonden ingeschreven het niet onmogelijk maakt dat één van die adressen hun hoofdverblijf is. Dan speelt het criterium van wederzijdse zorg een belangrijke rol. Deze zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Maar ook uit andere feiten en omstandigheden. En die bleken uit het ingevulde formulier en de bevindingen van de medewerkers van het controleteam.
A’s bewering dat zij het formulier pas achteraf had ingevuld of aangevuld kon de CRvB geen aanknopingspunten in het dossier vinden. De gegevens die op het formulier zijn ingevuld komen overeen met bevindingen van het controleteam.
De CRvB bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Commentaar
De hoogte van de AOW verschilt voor alleenstaanden en gehuwden. En dat brengt sommigen in de verleiding om de SVB te laten geloven dat er geen sprake is van samenwonen. De SVB neemt dat niet zomaar aan. Dat blijkt uit deze casus, waarin zij de woon- en leefsituatie van A onderzocht. En ook in een aantal andere zaken blijkt dat de SVB niet zomaar aanneemt dat recht bestaat op de alleenstaanden AOW. In al deze zaken vordert de SVB het teveel betaalde terug. En dat is toch al gauw ruim € 300 per maand dat desbetreffende personen ten onrechte de alleenstaanden AOW ontvingen.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

1. Krijgt de AOW een flexibele ingangsdatum?

50-PLUS-Kamerlid Klein stuurde de Tweede Kamer het initiatief wetsvoorstel Flexibilisering ingangsdatum AOW. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk de AOW vijf jaar eerder of later in te laten gaan dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Ook introduceert dit wetsvoorstel deeltijd-AOW.

Flexibele ingangsdatum
Kamerlid Klein wil ouderen de mogelijkheid bieden om zelf te kunnen besluiten wanneer men met pensioen wil gaan en of de overgang van werk naar pensioen ineens plaatsvindt of juist meer geleidelijk. En het besteedbaar inkomen in de actieve en post-actieve periode beter te spreiden. Daarom wordt met dit wetsvoorstel de mogelijkheid geïntroduceerd het ouderdomspensioen bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) op een zelf gekozen moment in te laten gaan.
Het flexibele systeem van pensionering houdt in dat de wettelijk bepaalde pensioengerechtigde leeftijd (hierna: AOW-leeftijd) fungeert als spilleeftijd.

AOW-uitstel
Klein stelt voor de mogelijkheid van het later laten ingaan van het AOW-pensioen zo snel mogelijk te introduceren. Deze maatregel kan het langer doorwerken na de AOW-leeftijd stimuleren. Het later laten ingaan van het AOW-pensioen is mogelijk tot maximaal 5 jaar na de dag waarop men de AOW-leeftijd heeft bereikt. Het later ingaan van het AOW-pensioen leidt tot een vaste verhoging van het bruto AOW-pensioen van 6,5% voor elk jaar dat het AOW-pensioen later ingaat.

AOW-vervroegen
Je kunt er ook voor kiezen het AOW-pensioen op te nemen vóór de AOW-leeftijd. Volgens het initiatiefwetsvoorstel kan dit volledig of voor een gedeelte Het AOW-pensioen kan maximaal vijf jaar eerder ingaan. Het eerder opgenomen AOW-pensioen wordt gekort. Deze korting is afhankelijk van het netto pensioen en wordt jaarlijks vastgesteld in een algemene maatregel van bestuur. Verder krijgt men in de jaren van uitkering vóór de spilleeftijd ( AOW-leeftijd) een compensatie voor de premieheffing volksverzekeringen.
Het eerder of later opnemen van het AOW-pensioen in deeltijd kan in stappen van 10% plaatsvinden. Men kan het gewenste deeltijdpercentage aangeven bij de SVB.
Het is mogelijk om een gedeeltelijk eerder ingegaan AOW-pensioen te verhogen. Ook is het mogelijk om een vanaf de AOW-leeftijd gedeeltelijk ingegaan AOW-pensioen te verhogen. Gedeeltelijk AOW-pensioen kan alleen ingaan op de dag van de maand waarop men zijn verjaardag heeft. Is men bijvoorbeeld jarig op 15 januari dan kan een deelpensioen dus ingaan op 15 februari, 15 maart, 15 april et cetera.

Commentaar
Diverse keren is voorgesteld om de ingangsdatum van de AOW flexibeler te maken. Grootste bezwaar daarbij waren de budgettaire consequenties. De AOW wordt gefinancierd op basis van het omslagstelsel. Eerder in laten gaan van de AOW leidt dus – ook bij een lagere uitkering – tot druk op de begroting. Die wordt immers van jaar tot jaar vastgesteld. Wij zijn daarom benieuwd of dit initiatief wetsvoorstel van Klein het deze keer wel haalt. De SVB is gevraagd een uitvoeringstoets te doen met betrekking tot dit wetsvoorstel. De SVB gaf aan ten minste een jaar nodig te hebben voor de implementatie van het wetsvoorstel. De door Klein voorgestelde ingangsdatum van 1 januari 2017 lijkt dus niet haalbaar.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

  • 1
  • 2