1. Laadpaal bij woning werknemer vergoeden

De kosten van een laadpaal bij de woning van de werknemer vallen onder de bijtelling als de werkgever een auto ter beschikking heeft gesteld. Voor een werknemer met een eigen auto mag de werkgever maximaal € 0,19 per kilometer onbelast vergoeden. 
Als de werkgever een laadpaal bij de woning van de werknemer laat plaatsen is het afhankelijk van de situatie hoe u deze kosten verwerkt in de aangifte loonheffingen. Er kan sprake zijn van 3 situaties: 
De werkgever heeft een auto ter beschikking gesteld aan de werknemer. De werknemer rijdt per kalenderjaar meer dan 500 kilometer privé met de auto van de zaak.
De werknemer rijdt met een ter beschikking gestelde auto aantoonbaar niet meer dan 500 kilometer privé per kalenderjaar.
De werknemer rijdt met de eigen auto.

1.    Meer dan 500 kilometer privé
Voor werknemers bij wie u rekening houdt met een bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak, zijn de kosten van de laadpaal onderdeel van de gebruikskosten van de auto. Deze kosten worden door de bijtelling in de loonheffing betrokken. U hoeft geen rekening te houden met een extra bedrag aan loon (in natura), ongeacht of een laadpaal is opgenomen in de catalogusprijs.
 
2.    Niet meer dan 500 kilometer privé
Als de werknemer aantoonbaar niet meer dan 500 privékilometers per kalenderjaar rijdt, is geen sprake van bijtelling. Ook dan zijn de kosten van de laadpaal geen loon voor de werknemer. Dit zijn kosten voor zakelijk gebruik.
 
Vergoeding elektriciteit
De vergoeding voor elektriciteitskosten is geen loon als de werkgever en werknemer hebben afgesproken dat de werknemer het daadwerkelijke verbruik tegen kostprijs doorlevert aan de werkgever. De kosten van een meter om het feitelijk verbruik vast te stellen zijn ook onderdeel van de kostprijs.
 
3.    Eigen auto werknemer
Als de werkgever de laadpaal vergoedt voor een werknemer die met eigen auto rijdt, kan hij niet meer onbelast vergoeden dan € 0,19 per zakelijke kilometer (inclusief woon-werkverkeer). Dit bedrag is inclusief elektriciteit en aanpassingen in de meterkast. Wil hij meer vergoeden, dan is dit loon voor de werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon. Dit komt ten laste van de vrije ruimte.
 
Meer informatie Paragraaf 5.3 van het Besluit van 20 maart 2015, nr. BLKB2015-0188M
 
 

2. Onjuiste brief 'Opleggen aanslag inkomstenbelasting 2018 vertraagd'

Op 28 juni heeft de Belastingdienst een aantal brieven verstuurd waarin staat dat meer tijd nodig is om de aanslag inkomstenbelasting over 2018 op te leggen. In een aantal gevallen is de verkeerde reden in de brief gezet. In sommige brieven staat ten onrechte dat uw klant in 2018 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Is dat bij uw klant het geval? Dan ontvangt hij binnenkort een nieuwe brief met de juiste reden.

3. Overzicht vordering belastingschuld onjuist

De Belastingdienst heeft tussen 17 juni en 9 juli 2019 ‘Aankondiging vordering wegens belastingschuld’ verstuurd. Bij een aantal aankondigingen zijn niet alle bedragen van de vordering vermeld. Is de aankondiging van uw klant onjuist? Dan krijgt hij een nieuwe aankondiging waarin wél alle bedragen staan. U hoeft hiervoor niks doen. In de nieuwe aankondiging staat ook de betaaltermijn.

4. Strenger toezicht op arbeidsrelaties

Het kabinet wil dat de Belastingdienst het toezicht op arbeidsrelaties aanscherpt vanaf 1 januari 2020. Dit staat in de Kamerbrief van 24 juni 2019. 
Door onduidelijkheden in de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) legt de Belastingdienst op dit moment alleen naheffingen en boetes op bij kwaadwillendheid. Vanaf 2020 kan de Belastingdienst ook handhaven als opdrachtgevers aanwijzingen van de Belastingdienst niet binnen een redelijke termijn opvolgen. 
Zowel de Belastingdienst als de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) krijgen er nieuwe medewerkers bij om meer toezicht te houden. Ook gaat de Belastingdienst meer samenwerken met de Inspectie SZW zodat signalen van schijnzelfstandigheid sneller worden opgepakt.

Nieuwe wetgeving
Nieuwe wetgeving moet meer duidelijkheid en zekerheid geven over arbeidsrelaties. Het kabinet streeft ernaar om de wetgeving in te laten gaan per 2021. Dit zijn de hoofdlijnen van de nieuwe wetgeving die het kabinet voorbereidt:

Zzp’ers gaan minimaal € 16 per uur verdienen.
Zzp’ers die meer dan € 75 per uur verdienen, krijgen de mogelijkheid om een zelfstandigenverklaring te gebruiken. Deze geeft onder meer zekerheid over de loonheffingen en de werknemersverzekeringen.
Voor alle opdrachtgevers en zelfstandigen komt er een opdrachtgeversverklaring. Hiermee krijgen zij zekerheid vooraf of sprake is van een dienstbetrekking.

Op de internetsite van Rijksoverheid leest u meer:
Kamerbrief voortgang uitwerking maatregelingen ‘werken als zelfstandige’
Zzp’ers gaan vanaf 2021 minimaal 16 euro per uur verdienen

5. Overgang nieuwe KOR

Doet uw klant nu geen btw-aangifte, omdat hij gebruik maakt van de ontheffing administratieve verplichtingen? Dan geldt dat hij per 1 januari 2020 automatisch onder de nieuwe kleineondernemersregeling valt. U hoeft hiervoor niks te doen. Dit geldt ook voor zonnepaneelhouders die geen aangifte meer doen. Alleen wanneer uw klant de nieuwe kleineondernemersregeling niet wil of kan toepassen, moet u uw klant afmelden. Gebruik hiervoor het afmeldformulier. De aangiftes worden dan weer voor uw klant klaargezet.

6. Kabinet verlengt IOW met 4 jaar

De Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) wordt verlengd. Werknemers vanaf 60 jaar en 4 maanden die werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden, kunnen aanspraak maken op een IOW-uitkering. Dat staat in een wetsvoorstel waarmee de ministerraad op voorstel van de minister van SZW heeft ingestemd.
De arbeidsmarkt verandert en er moet langer worden doorgewerkt. Met dit wetsvoorstel wil het kabinet oudere werknemers, die ondanks inspanningen van overheid, werkgevers en werknemers toch werkloos of arbeidsongeschikt worden, tegemoet blijven komen. De IOW biedt een tijdelijk vangnet aan oudere werklozen van wie de WW- of WGA-uitkering is afgelopen en die nog geen recht hebben op een AOW-uitkering. Als zij aanspraak willen maken op de bijstand, moeten ze vaak eerst hun eigen vermogen of dat van hun partner ‘opeten’. Om dat te voorkomen, hebben zij recht op een IOW-uitkering totdat zij de AOW-leeftijd bereiken.
De IOW zou per 1 januari 2020 aflopen. In het regeerakkoord is afgesproken dat de IOW wordt verlengd met vier jaar tot 1 januari 2024. Omdat een WW-uitkering maximaal twee jaar duurt, kan men tot 1 januari 2026 instromen in de IOW. Als resultaat van een toezegging aan de Tweede Kamer zal de toetredingsleeftijd niet meegroeien met de pensioenleeftijd, zoals afgesproken in het regeerakkoord, maar worden vastgelegd op 60 jaar en 4 maanden.
De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

7. Bereiden en bezorgen (hamburger)maaltijden; juiste sectorindeling (Horeca algemeen)

X (belanghebbende) bereidt en bezorgt (hamburger)maaltijden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de bestelling af te halen. De Inspecteur heeft X ingedeeld in sector 33, Horeca algemeen.
X bepleit in deze procedure dat zij moet worden ingedeeld in sector 17 (Detailhandel en ambachten), dan wel in sector 32 (Overig goederenvervoer te land en in de lucht).
Naar het oordeel van Hof Den Bosch staat de bezorging ten dienste van het door X bereide product. De door X verrichte werkzaamheden staan niet in bijlage 1 bij de Regeling Wfsv genoemd. Op grond van artikel 5.3 Regeling Wfsv vindt aansluiting in een sector dan plaats bij het onderdeel van het bedrijfs- en beroepsleven waarmee de werkzaamheden naar de aard het meest overeenkomen. In dit geval staat het bereiden van (hamburger)maaltijden voorop. Daarmee is sprake van een aan horeca aanverwant bedrijf. Het Hof verwerpt alle stellingen van X. Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Uitspraak Hof Den Bosch, nummer 18/00506 

 

8. Brede steun Eerste Kamer langzamere stijging AOW-leeftijd

De Eerste Kamer heeft op 2 juli 2019 het wetsvoorstel 'Temporisering verhoging AOW-leeftijd' (35223) met een overgrote meerderheid aangenomen. De wetswijziging is nodig om de AOW-leeftijd de komende jaren minder snel te laten stijgen. De temporisering van de AOW-leeftijd is onderdeel van het pensioenakkoord waar de bonden en hun achterbannen onlangs mee instemden. Hiermee heeft het kabinet de eerste stap gezet. Met dit voorstel wordt de AOW-leeftijd de komende twee jaar niet verder verhoogd en komt deze pas in 2024 op 67 jaar. Het wetsvoorstel is op 20 juni 2019 door de Tweede Kamer aangenomen.