4. Bv gaf ten onrechte geen gebruikelijk loon en bijtelling privégebruik aan

A woonde in 2014 en 2015 in Nederland en is enig aandeelhouder in en bestuurder van X (bv; belanghebbende). X was in 2014 en 2015 op haar beurt enig aandeelhouder in en bestuurder van bv1 en bv2. De bedrijfsactiviteiten van het concern bestaan uit het exploiteren van een transportbedrijf.
A was voorts als Geschäftsführer betrokken bij een Duitse vennootschap. Bv1 heeft met ingang van 20 november 2014 aan A een BMW ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van € 100.528. De auto is ook voor privédoeleinden aan A ter beschikking gesteld en er is geen rittenregistratie bijgehouden.
X heeft over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 december 2015 geen aangiften loonheffingen gedaan.
De Inspecteur heeft op 11 januari 2016 bij X een boekenonderzoek ingesteld. Daarbij is geconstateerd dat X ten onrechte geen aangiften loonheffingen heeft gedaan van de bijtelling van het privégebruik van de auto door A en het gebruikelijk loon van A. Daarop heeft de Inspecteur aan X naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant acht aannemelijk dat A werkzaamheden verrichtte voor de Nederlandse vennootschappen. De gebruikelijkloonregeling is alsdan van toepassing en het belastingverdrag met Duitsland staat hieraan niet in de weg. Voor een gedeeltelijke toerekening van het voordeel van het privégebruik van de BMW aan de Duitse UG is ook geen plaats. Wel matigt de Rechtbank de boetes. Niet aannemelijk is dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, maar grove schuld is wel aannemelijk, aldus de Rechtbank. 
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, nr. 17/3316