7. Geen cassatie in zaak premies werknemersverzekeringen voor twee dga’

De staatssecretaris heeft besloten dat hij geen cassatieberoep instelt tegen de onderstaande uitspraak van Hof Den Haag 15 januari 2019, 18/0552 t/m 18/00556, ECLI:NL:GHDHA:2019:98.
De aandelen van werkmaatschappij X (bv; belanghebbende) zijn sinds haar oprichting in bezit van Holding. Tot 1 januari 2009 waren E en D werknemer van Holding. Per die datum heeft een structuurwijziging plaatsgevonden. E en D zijn per die datum in dienst getreden bij hun persoonlijke holding. X heeft een managementovereenkomst gesloten met Holding op grond waarvan Holding tegen vergoeding zich belast met het management van X. Op grond van een managementovereenkomst tussen Holding en de persoonlijke holdings van E, D en een derde, zijn laatstgenoemden tegen vergoeding belast met het management van Holding. De Inspecteur stelt dat tussen E en D enerzijds en X anderzijds een arbeidsovereenkomst bestaat en dat E en D verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Hij heeft voor de jaren 2012 tot en met 2015 naheffingsaanslagen opgelegd aan X. In geschil is of van X terecht premies werknemersverzekeringen zijn nageheven. Volgens Hof Den Haag heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van privaatrechtelijke dienstbetrekkingen tussen D en E enerzijds en X anderzijds. E en D verrichten hun werkzaamheden uitsluitend in het kader van de rechtsbetrekking met Holding en hun persoonlijke holdings. De arbeidsverhouding met X ontbreekt zodat ook geen fictieve dienstbetrekking aanwezig is. De stelling dat Holding en de persoonlijke holdings reële praktische betekenis missen, is niet met voldoende feiten onderbouwd. E en D kunnen niet als werknemer worden beschouwd in de zin van de Ziektewet en zijn derhalve niet verzekerd voor die wet en de WW, WAO en WIA. De premies werknemersverzekeringen zijn ten onrechte nageheven, aldus het Hof. De uitspraak van Rechtbank Den Haag wordt bevestigd.
Besluit staatssecretaris van Financiën, nr. 2019-0000032229